Verhuizen doe je zo! |
Peter van den Boom |
|
(Part seven) ‘Jongen, je ziet er opeens behoorlijk beroerd uit’. Ik kijk hem aan en zie Maarten, een goede vriend van me. Goed gekapt en gekleed, beetje ballerig zelfs, valt me nu op. Hij articuleert zorgvuldig terwijl hij me nauwkeurig opneemt. Maarten is warempel echt met me begaan. Ik kijk langs hem heen, steek mijn hand op en met het effect van een remote control begint de barkeeper nog eens twee bierglazen te vullen. Ja, ja, ik weet dat ik er afgetrokken uitzie momenteel. Maar hij moet nu toch minstens een flauwe notie hebben van hoe ik me momenteel voel. In een situatie als deze krijg ik altijd die onweerstaanbare drang om opkomende depressieve gedachten met alcoholische versnaperingen te dempen, als een tot mislukken gedoemde vlucht naar voren. Ik probeer er niet aan te denken hoe ik me morgenochtend zal voelen. We zitten al een paar uur in deze onhip donkerbruine en dus rustige kroeg. Ik heb hem inmiddels het hele verhuisverhaal, compleet met alle ups en downs uit de doeken gedaan. En best meeslepend, al zeg ik het zelf, want hij heeft op dit moment dus werkelijk met me te doen. Nu verwacht ik elk moment dat het hoge woord er bij hem uit gaat komen. Hij heeft het lang binnengehouden, dat is waar. Misschien wacht ie totdat ik er zelf over begin. Maar dat doe ik dus niet. Ik zeg even niets meer en wacht totdat ik een vol glas bier in mijn rechterhand kan klemmen. Door het glas heen voelt de koelte van het gerstenat weldadig aan. De barman negeert mijn dankbaar omhoog geworpen blik echter volkomen. En net als ik iets onzinnigs wil zeggen om de beklemmende stilte te doorbreken klinkt het. Eindelijk. ‘Zeg eens Peter, hadden jullie het wel moeten doen, die hele verhuizing?’ Daar is het dan. Het ligt op tafel. Pontificaal boven een aantal niet opgehaalde lege glazen. ‘Ik bedoel achteraf gezien is het natuurlijk altijd makkelijk lullen…….’ Ik wuif zijn verontschuldigingen begripvol onder ons wankele tafeltje. ‘Die vraag, Maarten’, en ik begin nu echt met dubbele tong te redezwetsen, ‘die vraag wil ik graag beantwoorden. Maar dan over precies één jaar. Same place, same time’. Maarten zegt niets. We klinken nog maar eens doelloos. Ik kijk op de klok links van de bar en herinner me nu dat ik thuis had beloofd om voor twaalven terug te zijn. ‘Het is al over enen’, zegt Maarten en hij begint geschrokken aanstalten te maken. Ik struikel ook in mij jas en we lopen zij aan zij de donkere nacht in. Op straat klinkt gelal. Een puber probeert met zinloos geweld het licht uit een lantaarnpaal te trappen. ‘Zeg vriend’, probeer ik iets te plechtig terwijl ik zorgvuldig een arm om zijn schouder leg. Hij kijkt me van opzij aan. Zijn blik is een mix van argwaan en nieuwsgierigheid. ‘Enig bezwaar als ik vannacht bij jou blijf pitten?’ |
|